- Een Romeins symbool.
- Symbool van verleden en toekomst (v.a. de Renaissance).
- Bewaker van toegangen, wachter en grenszuil (bij de Romeinen), dat wil zeggen, de bewaker van een nieuw gebied voor de reiziger over land.
- God van het begin, de aanvang. Dat wil zeggen, god (bewaker) van het betreden van een nieuw 'gebied' voor de reiziger door de tijd (de 'levensreis').
- Attribuut: de slang die in zijn eigen staart bijt (denk hierbij ook aan het motief van de cirkel of de (k)ring bij Vallien). Een zeer oud symbool, met de naam Ourouboros, dat de eeuwige kringloop van het leven symboliseert.
Alle goden en heiligen hebben traditioneel een attribuut. Dat is een symbolisch object waar ze aan te herkennen zijn op afbeeldingen. Het attribuut verbeeldt hun belangrijkste functie, verdienste of invloedsfeer. 'Attribuut' is een traditionele term voor wat je zou kunnen vertalen met 'vast bijbehorend symbool'.
Dat de Ourouboros verbonden is met Janus geeft aan dat Janus niet zomaar te verbinden is met alle soorten grenzen en overgangen, maar uitsluitend met overgangen die te maken hebben met de kringloop van het leven. Oude volkeren zagen het leven niet als een lijn - je wordt geboren, begin van de lijn, je leidt je leven en je sterft, einde van de lijn - maar als een cirkel. Dat was omdat men het leven als iets eeuwigdurends zag. De dood was een onderdeel van het leven. Dat klinkt vreemd in onze oren, totdat we beseffen dat deze volkeren een onderscheid maakten tussen het leven zelf en de vormen die het leven aan kan nemen. Het leven zelf was een vitale kracht zonder vaste vorm of eigenschappen dat zijn levenskracht kon inblazen in een materiele vorm. Het Latijnse woord voor inblazen was inspiratio.
Dit zeer oude thema - het inblazen van leven in een levenloze vorm - loopt als een rode draad door de kunstgeschiedenis, omdat men ook het scheppen van een kunstwerk sinds de Oudheid ziet als een vorm van leven inblazen. De levenskracht zelf gedroeg zich binnen deze visie als een reiziger die voorbij een bepaalde grens een wezenlijke vormverandering (transformatie) doormaakte. Uit verschillende aanwijzingen blijkt dat Vallien dit een fascinerend gegeven vindt en dat hij het ontstaansproces van zijn werk ook als een transformerende reis ziet: levenloze materie wordt levende kunst.
Terug naar de cirkel van het leven. Oude volken zagen het leven als een doorlopende en eeuwige kracht die telkens van vorm veranderde. Deze vormverandering kon je ook overal in de natuur zien: in de zonsopgang en -ondergang, in de schijngestalten van de maan, in de seizoenen, in de levenscyclus van de vlinder, enz. De twee belangrijkste momenten van vormverandering waren de geboorte en de dood. Echter, het leven was weliswaar eeuwigdurend en altijd in verandering, maar veranderingen gaan in deze visie maar één kant op: gedane zaken nemen geen keer. Een rups wordt een pop en die wordt weer een vlinder. Vlinders kunnen niet terugveranderen in poppen of rupsen. De vlinder zal pas weer een rups worden wanneer ze eerst sterft. Dan komt de vlinder in een vormloze wereld terecht waaruit ze weer geboren kan worden.
Dit soort fundamentele vormveranderingen werden aangeduid met het Latijnse transformatio en het Griekse metamorphosis. Janus was voor de Romeinen de bewaker bij deze belangrijke overgangen. Hij was degene die, vanuit zijn bevoorrechte positie, twee kanten op kon kijken: naar wat was en naar wat komen gaat. Dat maakte hem tot god van het begin. Degene die Janus wil passeren, moet iets afwerpen of iets achterlaten. Als je de grenspalen van Rome wilde passeren bijvoorbeeld, dan moest je je wapens achterlaten en als burger verder reizen. Alle oude volkeren zagen het sterven als het passeren van een overgang waarbij je je lichaam achterliet. Dit vinden we ook terug in de oorspronkelijke betekenis van ons woord lichaam. Het komt van het Gotische lic en hamo, dat samen vleeshemd betekent.
Tekst: Vincent Botella